Tuesday, March 28, 2006

Logé

Niets kan ons meer van de wijs brengen. Neem nog een wodka, wat kost dat nou zo’n zakje wiet, natuurlijk komen we je ophalen, al is het nu vier uur ‘s nachts, geen spier vertrekken we. We zijn niet meer bang voor mentoren, en voor rectors al helemaal niet. Mobiele telefoon in de wc gevallen, kussen erom heen en in de droger ermee. Ik wou maar zeggen, we zijn gestaald, gepokt en gemazeld. De portemonnee wordt nooit uit het oog verloren. Als we naar Albert Heijn gaan, nemen we de huistelefoon gewoon ook mee.

Toen ze klein waren werden ze ‘terrible two’ genoemd. Nu kijk ik weemoedig terug op die idylle. Ze gingen om te beginnen lekker om half zeven naar bed en, al stortten ze zich af en toe krijsend op de vloer van de supermarkt, ze waren over ‘t algemeen heel gezeglijk. En dan neem je toch gewoon een avondkrant?
Tegenwoordig kun je niet eens de deur uit: bij thuiskomst staat de ijskast wagenwijd open en hebben de buren net de wijkagent ontboden vanwege een aanhoudende house-dreun. De krant on-line is onbereikbaar, alle computers en laptops zijn gecrasht vanwege dat vermaledijde MSN-chatprogramma. En anders zijn ze net een heel chill muziekje aan het downloaden.

En als je dan denkt dat je alles wel gehad hebt, nergens meer van staat te kijken en rustig op zaterdagavond voor de Godfather zit, dan… komt ze een uur vroeger thuis dan is onderhandeld. Waarom ben je nog op? Ik heb iemand meegenomen. De door de wol geverfde moeder sprint naar boven, dit lijkt me echt iets voor een daadkrachtige vader. Verstijfd liggen we in ons ouderlijk bed. Zou die pukkelige schriele engerd er überhaupt nog zijn en zo ja, waar bevindt hij zich op dit moment? ‘s Ochtends verkeren we nog steeds in moordende onzekerheid. Bezoek wordt fluisterend ontvangen en op de hoogte gesteld van de kwestie. Is ‘ie er nog of is ‘ie al weg? En als ‘ie er nog is, moet hij dan mee-ontbijten?

Tuesday, March 21, 2006

Gremlin

Het was een heel lelijk hondje, daar was iedereen het over eens. Onooglijk en schurftig, met uitpuilende ogen. Vergeleken met Gremlin zijn de hondjes van wijlen Pim Fortuyn ware schoonheidskoninginnen. Hoe zou het met die hondjes gaan trouwens, je hoort er nooit meer iemand over. Hoe dan ook, hij had wel een mooi trouw hondenkarakter en was de oogappel van z’n baasje. Als het hondje er niet meer zou zijn, hoefde het voor het baasje ook niet meer. Sterker nog, als hij zou moeten kiezen tussen zijn vriend en zijn hond….

Op een kwade dag en natuurlijk was het Kerstmis, werd Gremlin overvallen door een attaque. Hij beet nog even in z’n eigen staart maar er was geen redden meer aan. Negentien jaar is hij geworden, lelijke hondjes worden altijd ouder. Hij werd met gepaste eer begraven in de tuin en dat was dat, zou je zeggen.

Een dag later werd het baasje geveld door een zwaar herseninfarct. Weken werden maanden en tenslotte moest ook het baasje de strijd opgeven. De begrafenis werd geregeld en de familie bedacht dat het eigenlijk wel mooi zou zijn als baas en hond verenigd zouden worden. Dat het niet mag is natuurlijk gewoon flauw, het zal wel iets met hygiëne te maken hebben. Gremlin moest worden opgegraven, dat was duidelijk. Niemand durfde. De tuinman moest komen en met behulp van een schep en een dekentje werd onze held naar het dierencrematorium gebracht. Dan krijg je hem terug in een potje. Tijdens de opbaring van het baasje heeft iemand kans gezien, toen de begrafenisondernemer even niet oplette, het potje in de kist onder de arm van de overledene te verstoppen. Zo is Gremlin samen met z’n baas naar de eeuwige jachtvelden gegaan. En de versmade vriend? Die gaat vrijdag met het gezelschap mee op jacht.

Tuesday, March 14, 2006

Schrijversavond

Wat staat een gedreven lezer te doen op de vooravond van het boekenbal? Hij slaat een gin-tonic achterover, haast zich naar de hoofdstad en laat de Touareg achter in handen van de valet parker om een vorkje te gaan prikken in het nog immer feestelijk bruisende restaurant van de heer Joop B.

Rood pluche en spiegels om de buren in af te leggen. De proprietaire zelf staat ons handenwrijvend op te wachten. Een bataljon gedienstige knappe jongemannen, dat vol enthousiasme en zonder een enkele hapering de meest poëtische teksten declameert. Fines claires, zeewolven op bedjes van wilde spinazie, drijvende eilanden. We beginnen met een Kir Royale. En dan gaan we leuk Nederlandse schrijvers opnoemen. Wie weet er een paar nog levende die recent een roman hebben afgescheiden? Briefwisselingen tellen niet mee. Heleen van Rooyen ook niet. Dat is toch wel behoorlijk confronterend, als je in eerste instantie niet verder komt dan de volksschrijver. We missen hem zo. Weet je bijvoorbeeld nog hoe hij ons vermaande niet meer te drinken dan strikt noodzakelijk en als het dan toch moest je tot rode wijn te beperken? En hoe hij de andere schrijvers van die leuke bijnamen voorzag? Wie hebben we er eigenlijk voor in de plaats gekregen en nou niet meteen met die jongen van de telefoongids reclame komen aanzetten. Die man met al die voorletters en die eindeloze cyclus is veel te blij met zichzelf. Laten we het eens in de dames zoeken. Die mevrouw wier dochter is overreden vinden we een beetje somber en het kapsel van Connie kan ons ook niet meer zo bekoren. Misschien moeten we uitwijken naar de Belgen?

Straks in bed maar eerst de nieuwe Nicci French uitlezen, het is toch wat als je kind kwijt raakt terwijl niemand je gelooft.

En wat blijkt als we de rekening hebben betaald en we ons al wuivend en keuvelend naar de uitgang begeven? Maandagavond is schrijversavond! Aan de stamtafel zitten de mastodonten van de Nederlandse literatuur, Mulisch, Nooteboom, A.F.Th. etc, en wie is ook weer die oude man met dat schaapachtige voorkomen? Op de terugweg, in de Touareg, weten we het weer: Rudi Fuchs. Dat is alleen geen schrijver, helaas.